Nu je onkruidbeheersingsresultaat evalueren met focus op knolcyperus

Dit bericht werd geplaatst in Maïs, Nieuws, Praktijkonderzoek en getagd , , , , op .

Knolcyperus blijft één van de meest lastige probleemonkruiden in Vlaanderen. Door zijn sterke vermeerdering via knolletjes, het brede herstelvermogen en ook de genotype-gebonden vermeerdering via zaden vraagt een succesvolle aanpak een doordachte, meerjarige strategie.

Percelen met een gekend probleem

Om nu nog in maïs via een onderbladbespuiting een behandeling uit te voeren is het te laat. De zomer is wel de periode om je strategie te evalueren en bij te schaven. Op percelen met knolcyperus kan het interessant zijn om een vulkrachtig gewas te telen zoals wintergranen, spruitkool of vezelhennep. Ook maïs met een goede jeugdgroei en staygreen is een optie, in die teelt is het ook nog mogelijk om een succesvolle onkruidbeheersingsstrategie toe te passen. In het LCV-artikel onkruidbeheersing maïs 2026 LCV wordt de werkwijze verduidelijkt. Het integreren van een periode met zwarte braak in combinatie met zeer frequent schoffelen of tijdelijk grasland kan ook werken. Een andere methode die in de praktijk goede resultaten heeft opgeleverd is het zeer frequent kort maaien bij een intensieve uitbating of kort laten afbijten door paarden of schapen op voorwaarde dat de zode goed gesloten blijft. Een gesloten zode erop nahouden is en blijft evenwel de basis. In een uitgebreide presentatie van de wintervergaderingen LCV, o.a. gebaseerd op het VLAIO-project rond knolcyperus, kan je nog meer info over beheersing van knolcyperus raadplegen. Deze presentatie en de brochure knolcyperus 2025 VLAIO LA project bundelt de nieuwste inzichten rond herkenning, monitoring en beheersingstechnieken. Er wordt uitgebreid stilgestaan bij mechanische, chemische en teelttechnische maatregelen en hoe die in combinatie kunnen worden ingezet.

Percelen met mogelijks een nieuw probleem

Het is vooreerst belangrijk om het resultaat van de onkruidbeheersing in je verschillende teelten op je verschillende velden goed op te volgen. In deze periode kan je nagaan of je onkruidbestrijding geslaagd is. Blijven er soms “verdacht” uitziende grassen over kan je je mogelijks te maken hebt met knolcyperus. Onze Nederlandse collega’s brachten een handige zoekkaart uit. Die kan je helpen om uit te sluiten of je te maken hebt met knolcyperus of met planten die er goed op gelijken uit de familie van de Cyperacea (cypergrassen) of ook wel schijngrassen zoals heen/zeebies, (ruige)zegge of andere cypergrassen. Je kan natuurlijk ook echte grassen hebben zoals de courantste gierstgrassen die op vele plaatsen in Vlaanderen aan het uitbreiden zijn. Op de handige zoekkaart staan enkel Europese hanenpoot en glad-en harig vingergras vermeld maar op de website van het LCV is ook de Onkruidwijzer maïs te vinden met daarin een determinatiesleutel om de gierstgrassen te kunnen herkennen.

Foto 1: knolcyperus kan een mat vormen die het gewas sterk gaat onderdrukken

Foto 2: in de zomer kan je al snel deze bloeiwijze opmerken

Een nieuwe haard met knolcyperus pleksgewijs aanpakken

Als je een nieuwe haard ontdekt kan je de zone aanduiden en zeer gericht gaan bestrijden. Intensief schoffelen en de planten zo uitputten is een mogelijke strategie. Nadeel is de noodzakelijke aandacht voor versleping en het feit dat dit enkel een plaatsspecifieke werking heeft. Een tweede mogelijkheid is frequente elektrocutie. Dit vergt echter aangepaste mechanisatie en teeltvrije omstandigheden. Stomen is, tot slot, als niet chemische methode, het meest effectief. PVL testte met succes een beddenstomer met 40 cm holle pinnen. In principe kan een volledige afdoding van de knollen bekomen worden door ca. 20 minuten op dezelfde plaats te gaan stomen. Voor meer info zie projectverslag PVL. Ook deze machines zijn helaas nog niet courant beschikbaar. De proeven bij PVL werden uitgevoerd i.s.m. het Nederlands bedrijf Daan Hachmang (daanhachmang.nl). Plaatsspecifiek bestrijden met glyfosaat (7-8 bladstadium) is wettelijk gezien niet mogelijk qua dosering. Aan een te lage dosering dreigt bovendien het gevaar dat het de plant aanzet tot meer knolvorming. 

Het telen van bol- wortel- en knolgewassen blijft verboden en het wordt steeds belangrijker om het verder goed op te volgen in de mogelijke volggewassen (zie hoger).

Knolcyperus in de beschermingsstroken aanpakken

In de beschermingsstroken is de regel dat er enkel plaatselijk mechanisch kan worden bestreden. Op percelen met een gekende problematiek van knolcyperus geldt een uitzondering. Knolcyperus mag via intensief maaien worden uitgeput, ook in de periode tussen 1 mei en 15 juni. Daarnaast is ook plaatselijk stomen toegestaan. Het is belangrijk om er wel voor te zorgen dat het bestaand buffergewas niet te hard wordt uitgedund. Anders verliest de beschermingsstrook zijn bufferfunctie.

Foto 3: Vandaag is er een wettelijk kader om ook in de beschermingsstrook knolcyperus aan te pakken

Bedrijfsspecifieke aanpak via de kennisportefeuille

Knolcyperus gericht aanpakken vergt vaak een specifieke aanpak waarvoor je mogelijk persoonlijk advies wenst door experten. Vandaag biedt het PVL in Bocholt dit al aan, ook Inagro en Hogent AgroFoodNature (Proefhoeve Bottelare) bieden dit spoedig aan. Dit kan lopen via de kennisportefeuille waarbij je als actieve landbouwer via het e-loket je aanvraag kan doen en tot 70% van de kost van het advies (excl. BTW) terugbetaald krijgt.

Werkten mee aan dit artikel: An Schellekens, Joos Latré, Valérie Claeys, Shana Clerckx, Gert Van de Ven, Danny Callens en Michelle Thys

Werkt een link niet? Probeer deze dan te openen in een andere browser of neem contact op met het LCV.