Start netwerk schatting oogstdatum kuilmais 2026: Tijdig de percelen controleren is de boodschap
Dit bericht werd geplaatst in Maïs, Nieuws en getagd mais, maisrassen op .
De staalnames voor het opvolgen van de afrijping van de maïs zijn deze week terug gestart. Om een goed beeld te hebben van de afrijping van de mais zullen de LCV-partners de komende weken zo’n 10 locaties wekelijks opvolgen. Verspreid over Vlaanderen, van Bocholt tot Poperinge zijn er traditiegetrouw verschillende rassen met een uiteenlopende vroegrijpheid uitgezaaid en opgevolgd. Nieuw is dat er nu ook een ras uit de ultravroege groep is meegenomen. Dit maakt dat dit jaar de wekelijkse staalnames gebeuren bij volgende rassen: P7179 (ultravroeg), KWS Curacao (zeer vroeg), LG32257 (vroeg), SY Remco (halfvroeg) en SY Freyja (half laat). De zaaidata van de verschillende locaties situeren zich van 20 april tot 11 mei.


Links het ultravroege maïsras P7179, rechts het halflate ras SY Freyja.
De stalen worden wekelijks op donderdag genomen en gaan dan voor 72 uur in de droogstoof bij 105°C. Maandagmiddag worden na weging van de gedroogde monsters de droge stof gehaltes verwerkt in een persbericht.
De voorjaarswerkzaamheden en maiszaai verliepen vrij vlot. Tot half juni was het weer eerder wispelturig te noemen wat soms voor een moeilijke groei van de jonge plant zorgde. Soms was het overdag amper 15°C, andere dagen was het meer dan 30°C. Half mei flirtte de nachttemperatuur zelfs met het vriespunt. In tussentijd viel er ook regelmatig een bui. Al moet hier opgemerkt worden dat er hier regionaal grote verschillen in waren. Na half juni gingen de temperaturen regelmatig richting 30°C. In combinatie met voldoende vocht in de bodem kende de mais een snelle groei. Door de snelle lengtegroei waren veel planten nog onvoldoende stevig, waardoor de storm van 27 en 28 juni op verschillende plaatsen legering en stengelbreuk of greensnap veroorzaakte. De regen tijdens de storm nagelaten, bleef het nagenoeg droog na 15 juni.
Wanneer de toestand in het veld momenteel wordt bekeken, kan er gesteld worden dat in de regio’s waar er voldoende neerslag viel, de mais er goed bijstaat. De bestuiving en bevruchting lijken op de meeste percelen goed verlopen te zijn. Heel wat gelegerde percelen zijn ook terug rechtgekomen, weliswaar met een kromming. Ook hier lijken er geen grote problemen te zijn naar verdere ontwikkeling. De afrijping van deze mais zal wellicht normaal verlopen. Er moet wel rekening gehouden worden dan wanneer de hoge temperaturen aanhouden in combinatie met de droogte de afrijping hier sneller kan verlopen. Uit een eerste staalname op 23 juli op Hooibeekhoeve lieten de vroegste rassen een drogestofpercentage van 19% zien, de latere rassen 16%. Bij een tweede staalname op 30 juli werd er een gemiddelde stijging van 4% in drogestof gemeten. Vergeleken met 2025 lijkt de mais hier een week vroeger te zijn. De bloeitijdstippen kwamen min of meer overeen met 2025. Op basis voorgaande droge jaren als 2020, 2022 en 2025 weten we dat de mais 3% tot 5% per week kan stijgen in drogestofgehalte. Soms is de stijging nog groter. In die droge jaren is er veel mais geoogst aan te hoog drogestofpercentage. Bij een oogst van te droge mais, een droge stofpercentage van 38% of meer, liggen bewaarproblemen om de hoek. Het is dus belangrijk om bij het inkuilen van dergelijke maïs voldoende aandacht te besteden aan het aanrijden en afdekken. Zeker wanneer de inkuilen gebeurt in zomerse omstandigheden. Het gewas blijft immers langer warm, waardoor ademhalingsverliezen en het risico op broei toenemen. Goed aandrukken en snel afdekken is dan ook essentieel in deze omstandigheden, ongeacht het drogestofgehalte van de mais.

Op percelen met voldoende vocht verliepen bestuiving en kolfvorming doorgaans goed.
Er zijn echter ook percelen waar de maïs al vroeg droogtestress vertoonde. In sommige regio’s is er duidelijk minder neerslag gevallen. Maar waar een vooraf nog een snede gras is geoogst, is droogtestress in veel gevallen aanwezig zichtbaar. Vooral op de lichtere gronden is deze mais nauwelijks in bloei gekomen en staat er kolfloze mais in het veld. Bij deze maïs is geen sprake meer van een normale afrijping. Het proces van suikers naar de kolf sturen en zetmeelvorming is immers verstoord of zelfs afwezig. De plant blijft hierdoor langer groen. De stijging van het droge-stofgehalte is dan voornamelijk het gevolg van uitdroging van de plant en niet van zetmeelvorming in de kolf. Zulke mais wordt best gehakseld bij een drogestofpercentage van ca 28-30%. Hoewel het zetmeelgehalte zeer laag is, kan het gewas nog steeds een bruikbaar ruwvoeder vormen. De VEM-waarde ligt echter aanzienlijk lager dan die van een normale maïskuil. Het product zou kunnen vergeleken worden met een middelmatige graskuil. Wachten tot de plant helemaal dor is heeft doorgaans weinig zin. Kwalitatief is er geen winst te boeken, integendeel zelfs. Aandacht dient wel besteed te worden aan de mogelijke sapverliezen.

Op droogtegevoelige percelen verloopt de afrijping afwijkend.
De komende dagen blijven de temperaturen zo’n 25°C overdag zonder veel regen in het vooruitzicht. De afrijping kan hierdoor gestaag voortgaan of over gaan naar een noodafrijping. Het ideale hakselmoment kan er bijgevolg snel aankomen. Het is raadzaam om naast de LCV-berichten ook tijdig naar de percelen gaan te kijken en desgevallend de loonwerker al te vast te leggen.
Tijdig te percelen te gaan controleren hoever het staat met de afrijping om overrijpe mais te voorkomen is de boodschap. Vanaf volgende week worden er cijfers van de verschillende locaties gepubliceerd.
Voor LCV : Gert Van de Ven (Hooibeekhoeve)