
Projecten
Rassenproeven kuil- en korrelmaïs
Al reeds van bij het ontstaan van het Landbouwcentrum voor Voedergewassen worden er ism Semzabel rassenproeven kuil- en korrelmaïs aangelegd. Wat de kuilmaïs betreft zijn er dit jaar op 10 locaties, verspreid over Vlaanderen, rassenproeven uitgezaaid. In de groep van vroege rassen worden 25 rassen vergeleken, voor de late groep zijn dit 19 rassen. Op 5 locaties zijn 32 rassen korrelmaïs uitgezaaid. Het LCV heeft sinds dit jaar ook energiemaïs in de proeven opgenomen. Op 3 locaties worden 8 rassen specifiek voor energiedoeleinden bestemd, vergeleken.
Projectcoördinator kuil en korrel: Hogeschool Gent, Departement BIOT Projectcoördinator energiemaïs: POVLT, Beitem
Nieuwe tendensen in de onkruidbestrijding bij maïs
Onkruidbestrijding is tot op heden het grootste en vrijwel enige frequent optredend fytosanitair probleem in de maïs. Enge vruchtwisseling in combinatie met een beperkte middelenkeuze zorgde ervoor dat de laatste decennia in Vlaanderen een typisch monotone en moeilijk te beheersen maïs onkruidflora ontstond. Vooral op warmere zandgronden kent men het probleem wat telers noopt tot het inzetten van complexe mengsels aan relatief hoge dosissen.
Het verdwijnen van atrazin en het beperkt aantal terbutylazin combinaties dat nog aangeboden wordt,heeft geleid dat onkruiden die in het verleden weinig problemen stelden, nu moeilijk beheersbaar dreigen worden. Deze evolutie verplicht de praktijk steeds opnieuw uit te kijken naar nieuwe herbicidecombinaties en –strategieën. .
Het verdwijnen van oude goedkope middelen (Cl-triazinen) zet de poort open naar nieuwe, recent ontwikkelde actieve stoffen die moeten ingepast worden in onkruidbestrijdingschema's en maakt dat alternatieve onkruidbestrijdingsconcepten in de actualiteit komen (b.v. spuitschema's op basis van verlaagde dosissen, integratie van chemisch en mechanisch, e.a.).
Sinds jaren leggen de partners van het LCV onkruidbestrijdingsproeven aan bij maïs. Jaarlijks worden er minimaal 10 verschillende schema's bekeken naar hun efficiëntie. Op basis van deze proeven, aangevuld met informatie van andere proeven en ervaringen, tracht het LCV een advies te formuleren voor de onkruidbestrijding van maïs onder diverse omstandigheden.
Projectcoördinator: Hogeschool Gent, Departement BIOT
Waarnemingen van bladluizen bij maïs
In het groeiseizoen 1997 trad bij maïs ernstige schade op door een aantasting van bladluizen. Sinds 1998 worden er vanaf de tweede helft van mei tot begin juli wekelijks tellingen uitgevoerd. Deze waarnemingen gebeuren bij 3 rassen op 7 locaties verspreid over Vlaanderen. De tellingen worden wekelijks gepubliceerd zodat de evolutie van de bladluizen op de voet kan gevolgd worden en indien nodig een behandeling kan uitgevoerd worden.
Projectcoördinator: CIPF
Voorlichtingnetwerk schatting oogstdatum kuilmaïs
Sinds 2003 worden op een 16 locaties in Vlaanderen enkele kuilmaïs-rassen uitgezaaid met als doel de afrijping van de maïs in Vlaanderen nauwgezet op te volgen. Op 2 zaaitijdstippen worden telkens 3 rassen uitgezaaid. Vanaf eind augustus wordt wekelijks het droge stof gehalte bepaald van de verschillende rassen. Per locatie worden de resultaten wekelijks gepubliceerd in de vakpers. Met het opvolgen van de afrijping wil het Landbouwcentrum voor Voedergewassen extra ondersteuning bieden bij het plannen van de maïsoogst op uw bedrijf. Doordat de cijfers van de verschillende locaties apart gepubliceerd worden kan iedereen voor zijn eigen regio de evolutie opvolgen.
Projectcoördinator: CIPF
Invloed van diverse bodembewerkingssystemen op de fytotechische omgeving en kostprijs van de teelt van maïs
De aanleiding van dit project ligt bij de problematiek van erosie. Erosie, veroorzaakt door wind en water, vermindert op lange termijn de bodemvruchtbaarheid. Een permanente bodembedekking en minimale grondbewerking zijn de beste maatregelen om erosie tegen te gaan. Dit heeft echter gevolgen voor de bemestng, inzaaimethodiek, keuze bodembedekker, onkruidpopulatie, bodemstructuur, bodemleven,... Tevens vraagt minimale bodembewerking een aangepast machinepark en ligt de arbeidstijd en kostprijs anders dan bij een klassieke bodembewerking. Over de mogelijkheden van minimale bodembewerking bij maïs, leggen de partners van het LCV gedurende vijf jaar een proef aan. Op 4 locaties in Vlaanderen zal de klassieke bodembewerking dmv ploegen vergeleken worden met een beperkte bodembewerking met een cultivator en met directzaai, zonder grondbewerking. In deze proef wordt gebruikt gemaakt van gras en rogge als bodembedekker. Aangezien bij de verschillende manieren van de bodem te bewerken een invloed te verwachten is op de mineralisatie, worden er nog 3 stikstofniveau's aangelegd per bodembewerking. Hierbij wordt een stikstofbemesting uitgevoerd volgend advies (N-index BdB), 30% verlaagd advies en 30% verhoogd advies.
Projectcoördinator: Hogeschool Gent, Departement BIOT
Demonstratieproject Maïs: nitraatresidu beperken via anders bemesten en beredeneerde stoppelbewerking
Het beperken van de uitspoeling van nutriënten, en hier aan gekoppeld de nitraatresidunorm, is één van de hoekstenen van het mestdecreet. Het behalen van de nitraatresidu-norm is enerzijds een uitdaging voor de Vlaamse landbouwers, anderzijds vormt het ook een probleem door de vele factoren die hun invloed hebben op de stikstofdynamiek in de bodem. Het doel van dit demonstratieproject is tweeledig. Ten eerste legt het project de focus op het tijdstip van toediening van dierlijke mest bij maïs om tot een efficiëntere benutting van de nutriënten, en dan vooral stikstof, ten einde te komen tot een beperking van de uitspoeling van nutriënten. In dit kader worden op volgende tijdstippen mest toegediend: vroege toediening, vlak voor ploegen, na het plogen - voor de zaaibedbereiding en gelijktijdig met het zaaien. Voor dit laatste komt er een speciale machine uit Nederland. Op de tweede plaats schenkt het demoproject aandacht aan de relatie stoppelbewerking-nitraatresidu na de maïsoogst. Hierbij worden diverse stoppelbewerking uitgevoerd en op regelmatige tijdstippen worden er stalen genomen ter bepaling van het nitraatresidu. Deze proef ligt aan te Geel (Hooibeekhoeve), Lennik (Bodemkundige Dienst van België) en Merelbeke (ILVO eenheid Plant)
Projectcoördinator: Landbouwcentrum voor Voedergewassen
Optimalisering oogsttijdstip bij maïs in functie van het rassentype
Een optimaal oogsttijdstip van de kuilmaïs is belangrijk voor het beperken van kuilverliezen, een goede voederwaarde en een hoog opbrengstniveau. Tevens kan het op bedrijfniveau belangrijk zijn het oogsttijdstip te kiezen in functie van het rantsoen. Door de verschillende rastypes hebben de maïstelers het echter steeds moeilijker om het juiste oogsttijdstip te bepalen en wordt vaak te vroeg of te laat geoogst. In het kader van LCV is er dit jaar een project opgestart met als doel gegevens te verzamelen over de afrijping van de mais in relatie tot de voederwaarde. Op 3 locaties worden gedurende 3 jaren een 8-tal rassen van een verschillend type intensief opgevolgd tijdens de afrijpingsfase. Op zes verschillende tijdstippen zal er op basis van warmtesommen geoogst worden. Bij de oogst wordt het DS% van kolf, korrel en plant bepaald en de voederwaarde geanalyseerd. Per rastype zal het afrijpingstraject beschreven worden. Dit kan uitgedrukt worden per eenheid warmtesom zodat in de toekomst een schatting kan gemaakt worden van de afrijpingssnelheid door rekening te houden met de weersverwachtingen.
Projectcoördinator: Hogeschool Gent, Departement BIOT
Broeiremmers bij kuilmaïs
Meer en meer wordt men geconfronteerd met het opwarmen van maïskuilen. De broei die optreedt veroorzaakt soms aanzienlijke kuilverliezen. Vraag is of met broeiremmers het opwarmen van de kuilen en de kuilverliezen hierdoor kunnen beperkt worden. In 2005 werden door de Hogeschool Gent department BIOT in kader van het LCV verschillende broeiremmers bij kuilmaïs getest. De resultaten van dit onderzoek waren vrij positief. Het opwarmen van de kuilen werden aanzienlijk vertraagd door de broeiremmers en de kuilverliezen lagen lager. Door de interesse in deze problematiek wordt de proef in 2007 terug herhaald met een aantal reeds gekende en nieuwe kuiladditieven.
Projectcoördinator: Hogeschool Gent, Departement BIOT
Aanleg van grasklaver na 1 oktober
Er is in de praktijk veel belangstelling voor de inzaai van gras/klaver dank zij de subsidiëring voor de bedrijfseigen teelt van eiwitrijke gewassen die in 2004 ingang vond. Gras/klaver wordt het best in augustus ingezaaid maar in de praktijk komen veel percelen pas vrij voor inzaai na de maïsoogst in oktober. Het laattijdig zaaien van grasklaver houdt risico voor de klaverontwikkeling. Het resultaat bij een late zaai wordt volledig bepaald door weersomstandigheden na de zaai (snelheid ontwikkeling, graad van winterschade). Is er geen mogelijkheid voor 1 september grasklaver te zaaien, kan men doorzaaien in het voorjaar. Uit eerder onderzoek met witte klaver bleken de resultaten eerder wisselvallig te zijn. Dit project zet de verschillende mogelijkheden om grasklaver in te zaaien op een rij. Zowel najaar als in het voorjaar wordt 3 grasklavermengsels ingezaaid. De mengsel zijn engels raaigras met witte klaver, engels raaigras met rode klaver en Italiaans raaigras. Daarnaast wordt in het najaar nog enkel engels en Italiaans raaigras gezaaid waarbij in het voorjaar en na de eerste snede klaver wordt ingezaaid. Het inzaaien van de klaver gebeurt breedwerpig of met een doorizaaimachine. Bij de voorjaarszaai wordt er op 1 locatie ook nog erwten bij de grasklavermengels gezaaid. Dit project is ondertussen ten einde, de resultaten kunt u lezen in de borchure Voerdergewassen 2007.
Projectcoördinator: ILVO eenheid Plant, Teelt en Omgeving
Invloed van zwavel en seleniumbemesting op de grasopbrengst en graskwaliteit
Uit wetenschappelijk onderzoek is gebleken dat zwavelbemesting een positieve invloed heeft bij grasland en dit zowel naar de opbrengst als het zwavelgehalte in het gras. Een beredeneerde bemesting met zwavel is echter wel van groot belang. Een inventarisatie van seleniumgehalten in voedergewassen toonde aan dat er bij veel voedergewassen een tekort aan selenium is. Een seleniumbemesting verhoogt het gehalte in gras gevoelig en door de inbouw van selenium in eiwitten kan een hogere efficiëntie in het dier bekomen worden. Tussen de opname van zwavel en selenium bestaat er ook nog een interactie. Op dit moment heeft de melkveehouder weinig praktische kennis over de zwavelbemesting. Met dit project, dat voor het 3e jaar loopt, wordt beoogd om met praktijkresultaten meer informatie te kunnen verstrekken over de optimale zwavelbemesting. Dit project is ondertussen afgelopen, de resultaten kunt u lezen in de brochure Voedergewassen 2007.
Projectcoördinator: Bodemkundige Dienst van België
Opbrengst en kwaliteit van grasklaver, rode klaver en luzerne bij 3 stikstofniveaus onder maaivoorwaarden
In 2004 startte in het kader van het LCV een demoproject op over de mogelijkheden van klaver en luzerne Na 3 jaar bleek het bestand van de verschillende mengsels die voor het demoproject werden uitgezaaid nog goed te zijn en de vlinderbloemigen goed in het bestand aanwezig te zijn. Bij de verschillende combinaties worden 3 stikstofniveau's aanlegd. Bij elke maaibeurt zal vervolgens de opbrengst en voederwaarde worden beplaad. In het najaar wordt het nitraatresidu gemeten bij de verschillende bemestingsniveau's. Aangezien deze proef reeds voor het 4e jaar aan ligt, is er de mogelijkheid om informatie te vergaren over de persistentie van de verschillende mengsels.
Projectcoördinator: ILVO eenheid Plant, Teelt en Omgeving
Tarwe in het melkveerantsoen
Door het gebruik van tarwe als krachtvoedervervanger, kan de kostprijs van het rantsoen afnemen, tengevolge van een kleiner aandeel handelskrachtvoeder. Bovendien wordt door de teelt van tarwe de monocultuur van maïs doorbroken wat voordelen biedt naar onkruid- en ziektedruk, verrijking landschap, ... In de praktijk worden nog veel vragen gesteld bij de vorm waaronder de tarwe dient verstrekt te worden. In voorgaand onderzoek waren reeds drie vormen vergeleken (ingekuild deegrijp, NaOH behandelde tarwe en geplette tarwe). Toch komen nog andere vormen voor die het onderzoeken waard zijn. Blijkbaar zijn de vormen waaronder tarwe verstrekt wordt regio gebonden. Aangezien de proef pas uitgevoerd zal worden in de volgende winterperiode zal er bij de sector in een eerste fase bij verschillende gelegenheden (technische comité, enquete, vergaderingen...) geïnformeerd worden welke vormen het meest interessant lijken vanuit het oogpunt van de praktijk. Hieromtrent willen wij u vragen, mocht u, tarwe voederen, ons te laten weten onder welke vorm u dit doet. U vindt onze coördinaten onderaan het artikel.
Projectcoördinator: ILVO eenheid Dier
Demoproject 'valorisatie van koolzaadkoek in de dierlijke prodcutie'
Een eerste luik van het project omvat een inventarisatie van koolzaadkoekmonsters uit Vlaanderen. In een tweede luik wordt in een opnameproef de voederwaarde van de koolzaadkoek geëvalueerd. Het derde luik omvat een voederproef met vleesvarkens. Er werden demonstratienamiddagen georganiseerd in Bocholt (23/1) , Kluisbergen (24/1) en Gistel (24/1). De brochure kan u opvragen via lcv@hooibeek.provant.be.
An Schellekens 014 85 27 07 an.schellekens@hooibeek.provant.be melkvee Sam De Campeneere varkens Dirk Fremaut en Luc Martens
Evaluatie kuilfermentatie in functie van het rastype en het drogestofgehalte bij de oogst
Door het inkuilproces worden vooral de snel afbreekbare koolhydraten omgezet tot melkzuur, en andere vluchtige vetzuren. Bij een minder efficiënt verlopende fermentatie wordt eventueel ook alcohol gevormd wat een extra drogestofverlies betekent. De vorming van de vetzuren heeft een belangrijke impact op de pH. Nu blijkt dat er in de praktijk een grote spreiding mogelijk is inzake pH bij maïskuil (zie tabel 1), Deze jaargemiddelden en standaardafwijking laten toe om de populatie van cijfers bij benadering te omschrijven waarbij vooral de extremen zichtbaar worden. Eind-pH’s van 3.3 en zelfs lager komen voor in de praktijk. Deze lage pH’s zijn vermoedelijk te wijten aan een grote variatie in suikergehalte bij inkuilen als gevolg van verschillende afrijpingskarakteristieken. Bij een hoger suikergehalte is een lagere eind-pH niet denkbeeldig. Uit de praktijk blijkt dat dit probleem reeds lang bestaat.In dat laatste jaar waren er in de praktijk ook veel problemen met lebmaagverdraaiingen en problemen gelinkt aan pensverzuring. Volgens hem is het in de praktijk al voldoende aangetoond dat als gevolg van kuilen met lage pH er verteringsproblemen gaan optreden. Het is dus voldoende belangrijk dus om in deze een idee te krijgen van de fermentatie in functie van het rasytpe en het drogestofgehalte. In dit project zullen 4 rassen van een verschillend type bij 3 DS-percentage ingekuild worden in microkuilen. Voor de verschillende rassen zullen tijdens en na een inkuilperiode van 49 dagen diverse metingen gebeuren.
Projectcoördinator: Hogeschool Gent, Departement BIOT
Teeltcombinatie gras-maïs nog haalbaar?
Op heel wat melkveebedrijf vindt men de teeltcombinatie gras na maïs. Deze teeltcombinatie zal in de toekomst wellicht nog aan belang winnen. De reden hiervoor ligt bij de derogatie. Voor deze teeltcombinatie mag er dan 250 kg N/ha uit dierlijke mest toegediend worden ipv 170 kg N/ha. Voorwaarde om de 30% extra mest te mogen geven is wel dat het gras gemaaid wordt. Er mag 250 kg N/ha uit dierlijke mest aangewend worden, doch de totale hoeveelheid stikstof wijzigt niet en blijft dus 275 kg N/ha. Dit betekent dat er nog 25 kg N/ha uit kunstmest mag worden toegediend. Op zandgrond daalt de totale toegelaten hoeveelheid stikstof tegen 2010 tot 260 kg N/ha, en kan dus met de derogatie maar 10 kg N/ha uit kunstmest gegeven worden. Wil men van beide teelten een goede productie halen, zal men zowel het gras al de maïs voldoende bemest moeten worden. De vooropgestelde normen laten echter geen of weinig ruimte om beide teelten optimaal gaan te bemesten. Vraag is hoe men de toegelaten hoeveelheid mest best gaat gebruiken om een zo maximaal mogleijk rendement te behalen.. Belangrijke vraag blijft ook hoe de nitraatrest zich situeren in het najaar. Deze porject wordt uitgevoerd door de Hogeschool Gent Departement BIOTen VITO Hoogstraten
Projectcoördinator: Landbouwcentrum voor Voedergewassen vzw
Maïs telen met nieuwe fosfornormen
Sinds in januari 2007 is het nieuwe mestdecreet in voege getreden. Sinds het nieuwe mestdecreet van kracht geworden is, worden landbouwers geconfronteerd met nieuwe bemestingsnormen voor stikstof en fosfor. Sinds in januari 2007 is het nieuwe mestdecreet in voege getreden. Sinds het nieuwe mestdecreet van kracht geworden is, worden landbouwers geconfronteerd met nieuwe bemestingsnormen voor stikstof en fosfor. Wat de maïs betreft, mag er nog in 2009 nog maximaal 85 kg P2O5/ha in 2009 toegediend worden Vele gronden in Vlaanderen waarop maïs wordt geteeld, zijn rijk aan fosfor. Op deze gronden is de fosforvoorziening voor de maïs voldoende. Er zijn echter ook nog gronden waar de bemestingsadviezen hoger liggen dan de toegelaten normen. Op deze gronden loopt men een grote kans op een tekort aan fosfor. De vraag is wat het effect is op de groei van de maïs wanneer de fosforbehoefte niet kan ingevuld worden. Dit project wil nagaan wat de effecten zijn van deze toegelaten hoeveelheden fosfor op de kwaliteit en de opbrengst. . Dit project wordt uitgevoerd door de Bodemkundige Dienst van Belgie en Hooibeekhoeve
Projectcoördinatie: Landbouwcentrum voor Voedergewassen vzw
Effect van toepassing van PRP op de opbrengst en voederwaarde van grasland
Grasland in de Kempen wordt intensief uitgebaat. Maaien wordt afgewisseld met beweiden, indien de samenstelling van de graszode verslechterd wordt er gras vernieuwd en door het hoge aanbod aan organische bemesting ligt het bemestingsniveau op een aanzienlijk niveau.
Door de strenger wordende mestwetgeving is het bemestingsniveau – vooral onder vorm van kunstmest- gedaald. Op gras mag er volgens het nieuwe mestdecreet nog 350 kg N/ha toegediend worden. Afhankelijk of men derogatie aan vraag of niet mag er 170 kg N/ha of 250 kg N/ha uit dierlijke mest aangewend worden
Door het lage bemestingsniveau komt het er op aan om elke kg stikstof zo efficiënt mogelijk te benutten.
Op de markt zijn er een aantal producten en/of meststoffen die door een bepaald procédé een bijdrage kunnen leveren tot een betere benutting. PRP is één van die productie die claimen door hun effect op de bodemvruchtbaarheid een optimale plantengroei te bewerkstelligen en een reductie van het bemestignsniveau mogelijk maken zonder verlies aan opbrengst en kwaliteit.
Gedurende 5 jaar zal in een proef onder maaiomstandigheden de toepassing van PRP vergeleken worden met een gangbare bemesting en dit naar kwaliteit en opbrengst. De
Hooibeekhoeve Geel