MAP man : Goede bodemstructuur voor optimale benutting van nutriënten

Dit bericht werd geplaatst in CVBB op .


Tijdens het natte voorjaar van 2016 kon je er niet naast kijken dat de groei van gewassen erg ongelijk verliep. Op laaggelegen percelen waren opbrengstverliezen sowieso moeilijk te vermijden, maar een ongelijke groei op één perceel of tussen nabijgelegen percelen was opmerkelijk en vaak te wijten aan een verschil in bodemstructuur. Werken aan een goede bodemstructuur kan het risico op opbrengstverliezen dan ook gevoelig doen dalen, zeker in jaren met extreme weersomstandigheden.

Een optimale opbrengst is niet alleen een zaak van de juiste bemestingsdosis. Je moet ook oog hebben  voor de opbouw en het behoud van een goede bodemkwaliteit, waarbij zowel chemische, fysische als biologische aspecten van belang zijn. Daarom is het belangrijk dat je weloverwogen keuzes maakt op het vlak van bewerking, bemesting, gewaskeuzes en vruchtwisseling.

Een goede bodemstructuur doet de risico’s op opbrengstderving dalenfiguur1

  • In natte periodes blijft het water gemakkelijk op de bodem staan (met wateroverlast tot gevolg) en kan het ook niet doorsijpelen naar diepere lagen. Dat zorgt voor een zuurstofarme bouwvoor, waardoor de wortelontwikkeling gehinderd wordt en de nutriëntenopname beperkt.
  • Bij droogte laat een verdichte bodem niet toe dat water uit diepere lagen kan opstijgen Bovendien beperken de verdichte lagen wortelgroei, zodat ze maar een beperkt deel van de bodem kunnen benutten voor het opnemen van water en nutriënten.

Zowel bij droog als nat weer leidt dat tot een achtergestelde groei, waarbij opbrengstverliezen gemakkelijk kunnen oplopen van 10 tot 50%. Als het gewas niet goed groeit, kunnen er ook minder nutriënten worden opgenomen en is er dus een slechtere benutting van de toegediende meststoffen. Dat leidt tot hogere nitraatstikstofresidu’s na het hoofdgewas. Een daaropvolgende groenbedekker zal zijn rol als vanggewas ook onvoldoende kunnen vervullen. Door structuurbederf ontwikkelen de wortels zich minder en groeien de gewassen minder goed, waardoor de nitraten die zich onder de verdichte laag bevinden niet meer worden opgenomen en uitspoelen tijdens de winter.

In actie voor een goede bodemstructuur

Hoe zorg je voor een goede bodemstructuur? Breng bij voorkeur het hele jaar door voldoende organisch materiaal (gewasresten, groenbedekkers, vaste dierlijke mest …) aan op je percelen. Bodemorganismen zetten het organische materiaal om naar bodemorganische stof, dé motor voor de chemische, fysische en biologische bodemkwaliteit. Door het aanbrengen van meer organische stof, zal je een grond krijgen met een betere lucht- en waterhuishouding en sterkere bodemaggregaten. Daardoor heb je minder last van verslemping (dichtslaan van de bodem) en erosie. Bodemorganismen kunnen ook nog op andere manieren bijdragen tot een goede bodemstructuur. Een voorbeeld zijn de diepgravende wormen. Zij zoeken hun voedsel (vb. gewasresten) aan het oppervlak en trekken dit mee in diepe gangen die ze graven – zelfs door de ploegzool. Langs deze gangen kan ook water weg en kunnen wortels groeien. Wat ook helpt om de bodemstructuur te verbeteren is een ruimere vruchtwisseling. Want doordat de verschillende gewassen een ander bewortelingspatroon hebben, krijg je automatisch een betere bodemstructuur. En bovendien vermijd je ook nog eens ziektes.

Steeds grotere en zwaardere machines zijn een bedreiging voor de bodemstructuur en werken bodemverdichting in de hand. Betreed het perceel alleen in voldoende droge omstandigheden. Een drogere bodem heeft immers meer draagkracht. Als dat niet lukt, probeer het veld dan alleen te betreden waar het echt nodig is (bv. passage van oogstkarren op vaste paden in plaats van willekeurig) en stel de bandenspanning zo laag mogelijk af. Gebruik bij voorkeur lichtere machines en zorg voor een verdeling van de last over meerdere wielen. Of gebruik banden met een groot volume die je op lage druk kan zetten. Dat scheelt ook onmiddellijk in de portemonnee. Onderzoek in Duitsland wees uit dat per cm minder insporing, je een brandstofbesparing van minstens 10% kan realiseren (Elsen et al., 2014).

De bodem is toch verdicht, wat nu?

Naar remediëring toe moet elk perceel individueel beoordeeld worden, maar klassiek wordt een onderscheid gemaakt tussen een oppervlakkige en diepere bodemverdichting. Bodemverdichting in de bouwvoor is gemakkelijk te verhelpen met klassieke grondbewerkingen. Het wordt echter problematisch als de verdichting zich dieper bevindt.

Om verdichte bodemlagen te doorbreken, kun je in eerste instantie een aantal trucs toepassen. Bijvoorbeeld door de populatie diepgravende regenwormen te stimuleren. Die boren zich immers door de verdichte lagen en maken zo de bodem eronder toegankelijk voor plantenwortels. Een diepgravende regenworm aan het werk zetten, doe je door stalmest toe te dienen, regelmatig gewasresten achter te laten aan het oppervlak en ingrijpende bodembewerkingen (diep en kerend) achterwege te laten. Ook kun je diepwortelende gewassen zoals bladrammenas zaaien om verdichte bodemlagen te perforeren.

In tweede instantie kun je overwegen om de diepere verdichting mechanisch op te heffen. Dat is wel een delicate zaak en daarom alleen aangewezen bij duidelijke problemen met de waterhuishouding, een sterk belemmerde wortelgroei en opbrengstderving. De diepere bewerking moet onder de juiste omstandigheden gebeuren: zeker niet te nat en niet dieper dan nodig. Weet dat dit ook niet hoeft te gebeuren over het hele perceel. Een losse grond is immers heel gevoelig voor verdichting. Als je de grond hebt bewerkt, berijd je hem de eerste jaren nadien het best onder voldoende droge omstandigheden en slechts op lage druk. Een diepwortelend (vang)gewas kan de losgemaakte grond terug stabiliseren en de stikstof opnemen die vrijkomt door het beluchten van de bodem (Elsen et al., 2014).

Conclusie

Een goede bodemstructuur geeft de plantenwortels alle kansen om water en nutriënten op te nemen. Structuurbederf daarentegen zorgt voor groeiachterstand en opbrengstderving, waardoor nutriënten onvoldoende worden benut en verloren gaan. Houd het organische stofgehalte op peil, betreed de grond alleen als die voldoende droog is en vermijd zware druk op de bodem.

Greet Ruysschaert (ILVO), Joost Salomez (ALBON), Eva Maddens (Inagro)